Afgestofte rapporten 7 - Politieke onvrede en onbehagen

Auteur Claartje BronsDatum 17-10-2019

Politieke onvrede in Nederland in het eerste decennium van de 21 eeuw (proefschrift) Claartje Brons

De huidige staat van de democratie en de al dan niet groeiende politieke onvrede van burgers is een populair onderwerp voor discussie en reflectie. Dat was het in 2010, toen de Raad voor het Openbaar Bestuur in ‘Vertrouwen op democratie’ waarschuwde dat de sterk groeiende onvrede over de representatieve democratie binnen niet al te lange tijd kon leiden tot een crisis van de democratie. Dat was het vijf jaar geleden toen ik mijn proefschrift over ‘politieke onvrede in Nederland in het eerste decennium van de 21e eeuw’ verdedigde. En ook nu, oktober 2019, leeft de discussie nog volop. Al krijgt die politiek onbehagen en protest in deze tijd weer zijn eigen invulling en kleur, met ‘gele hesjes’, ‘boze tractor boeren’, klimaatmarsen en protesten van ‘rebellion extinction’.

Tijd om dat onderzoeksrapport over politieke onvrede in Nederland in het eerste decennium van de 21e eeuw weer eens van de plank te pakken en stil te staan bij de voornaamste bevindingen van toen. 

'Hoe moeten we de politieke onvrede in Nederland duiden?'

Deze vraag heb ik onderzocht, aan de hand van grootschalig enquête onderzoek, diepte interviews en een analyse van krantenberichten en parlementaire stukken. In de wetenschap, maar ook in het publieke debat waren namelijk heel verschillende en soms tegenstrijdige beelden en theorieën in zwang over politieke onvrede en politiek ontevreden burgers. Dat is overigens anno 2019 niet anders dan 5 jaar geleden. Politiek ontevreden burgers werden verondersteld de barricaden op te gaan of/en zich af te keren van de politiek. Politiek ontevreden burgers worden getypeerd als een nieuwe generatie hoog opgeleide democraten die snakken naar meer directe politieke participatie. Maar ze worden eveneens vaak gekenschetst als ‘bedreigde burgers’ in sociaal economische onzekere en moeilijke omstandigheden, op zoek naar politieke geborgenheid en veiligheid. Of ze worden beschouwd als doorsnee burgers die vooral extra controle willen op het doen en laten van hun politieke autoriteiten.

Drie verschillende niveaus of typen van politieke onvrede

Om een scherper beeld te krijgen van het karakter van de politieke onvrede in Nederland hanteerde ik een denkraam waarin drie verschillende niveaus of typen van politieke onvrede worden onderscheiden:
– Onvrede over democratische principes en waarden;
– Onvrede over het functioneren van politici en het functioneren van politieke instituties;
– Specifieke onvrede over kabinet(sbeleid) of specifieke politieke gezagsdragers.

Op alle niveaus kunnen verwachtingen, meningen, waarden en overtuigingen van burgers botsen met die van de politiek. Maar het object en karakter van de onvrede kan verschillen. Voor de verschillende typen onvrede geldt: men kan heel goed tevreden zijn over het een, maar ontevreden over het ander. Dit denkraam, voortbouwend op het theoretisch werk van andere wetenschappers- zoals Easton, Norris en Hendriks, hielp om op gestructureerde wijze de meervoudigheid van het onbehagen en de onvrede over de politiek te kunnen zien en herkennen.

Belangrijkste uitkomsten op een rij

Een van de bevindingen uit het onderzoek was dat er geen eenduidige groei in politieke onvrede van burgers uit enquête onderzoek is af te leiden. Onvrede over regeringen en regeringsleiders wisselt over de tijd. Diepgaande onvrede over democratie als staatsvorm is te verwaarlozen. Wel bestaat er bij een aanzienlijk aantal mensen in Nederland een hardnekkig beeld van een geprivilegieerde politieke elite. Dit negatieve beeld over het doen en laten van de politieke elite, ook wel politiek cynisme genoemd, bestaat echter al zolang als we kunnen meten, sinds begin jaren zeventig. De resultaten gaven dus geen aanleiding te geloven dat Nederlandse burgers zich van de Nederlandse democratie afkeren. Ze weerlegden het idee van een plotselinge crisis. Wel toonden ze de al langer bestaande substantiële onvrede over het doen en laten van politici in het algemeen. Die trends die ik vijf jaar geleden kon detecteren uit grootschalig survey onderzoek zijn in de afgelopen vijf jaar als we de data van SCP en meer recente Nationale Kiezers Onderzoeken mogen geloven, overigens niet sterk veranderd.

Wat eveneens in het oog sprong is dat politieke cynici bij nader onderzoek via diepte interviews meer leken te verlangen naar deugden in de politiek dan naar direct meebeslissen, via bijvoorbeeld een referendum of gekozen burgemeester. Ze keken vooral met een morele blik naar politieke ambtsdragers en verwachtten dat politici in alle opzichten het goede voorbeeld geven. Politici worden erom verfoeid als zij ruziemaken of moddergooien. Juist omdat politici besluiten nemen die alle burgers aangaan, omdat ze wetten maken waarvan de (financiële) consequenties door iedereen gevoeld worden en omdat ze uit algemene middelen betaald worden, zo gaat de redenering, worden privileges en misstappen niet getolereerd en geaccepteerd. De ontevreden burgers die ik sprak hechtten sterk aan integriteit en behoorlijk bestuur. Hun verwijten en frustraties gingen maar al te vaak over vermeende privileges van ‘de hoge heren in Den Haag’. Er werd er geregeld verwezen naar de ervaren vriendjespolitiek en banencarrousel in de politiek. Een quote: ‘Als je eruit gegooid wordt kan je nog burgemeester hier of daar worden.’ Of er werd gerefereerd aan genereuze wachtgeldregelingen, terwijl gewone mensen het bij het verliezen van hun baan- tijdens de crisis natuurlijk uiterst actueel- het moeten doen met een uitkering of WW. Anderen begonnen over het in hun beleving oneerlijk verdelen van schaarse goederen, zoals huurhuizen of zorg en hoe ongunstig dat voor henzelf of voor bekenden uitpakt. Die opvattingen sluiten aan bij theorievorming waarin gesteld wordt dat burgers zich niet zelf willen mengen in het politieke werk, maar met name verlangen naar een betrouwbare, controleerbare politieke klasse en de nodige checks and balances willen zien om een politieke cultuur van eigenbelang en nepotisme in te dammen.

Ander opvallende bevinding uit het onderzoek:

Als je met politieke cynici in gesprek gaat blijkt dat hun onvrede varieert van desinteresse, irritatie tot walging en woede. Het politiek cynisme beweegt mensen niet vanzelfsprekend tot politieke actie of politieke afzijdigheid, zoals niet stemmen. Het zet hen wel geregeld aan tot een tegenstem bij verkiezingen. Tegen een links of een rechts blok. Of om te voorkomen dat een bepaalde partij of bepaalde persoon niet te veel te zeggen krijgt.

Tot slot:

Het onderzoek liet zien hoe de berichtgeving over politieke onvrede in Nederlandse kranten en parlementaire stukken exponentieel is toegenomen in het eerste decennium van de 21e eeuw. Een steeds breder en bonter gezelschap van zowel politieke journalisten, (oud-) politici, columnisten en andere opiniemakers ging een rol spelen in het verkondigen van de stem van (kritische) burgers. Journalisten refereerden daarbij vooral aan de bestaande politieke onvrede van burgers in de context van verkiezingen en gebruikten het als een verklaring voor de electorale winst en verlies van politieke partijen in verkiezingstijd. Onvrede en onbehagen kreeg dus luider een stem.

Dat is een besef dat- zo is mijn indruk- breder begint door te dringen in de afgelopen jaren. Ik hoor steeds vaker dat bestuurders en politici bewust naar balans en nieuwe kanalen zoeken - om alle inwoners een stem te geven in de beleids- en besluitvorming en goed te betrekken bij wat hen raakt. Niet alleen een boze minderheid die zich luid en duidelijk laat horen, maar ook de stille meerderheid.