Column René Cuperus: Democratiefestival? Waarom we onze democratie eerder moeten verdedigen en heruitvinden dan laconiek vieren

Onze naoorlogse democratie staat van vele kanten onder druk. Van binnen en van buiten. Door de uitholling van de politieke partijen. Door de autoritaire omsingeling van buitenlandse leiders. Door extreem-rechts en het salafisme. Door een ondermijnende drugseconomie. Door nieuwe maatschappelijke breuklijnen tussen hoog en laag, (kans)rijk en (kans)arm, migrant en autochtoon, centrum en periferie. Onze democratie is een splijtzwam geworden. Onder die omstandigheden, moeten we onze democratie niet losjes vieren en bejubelen, maar verdedigen, beschermen en heruitvinden.

Bij het Democratiefestival hadden ze mij niet voor niets aan het eind van de dag geprogrammeerd. Niet omdat ik nu direct een party pooper ben, en de feestvreugde helemaal ga verstoren. Maar toch. Ze hebben me waarschijnlijk aan het eind van de dag gezet, omdat ik het iets minder jubelende en feestelijke verhaal van de dag over democratie ga vertellen.

            Ik was, eerlijk gezegd, al helemaal geen fan van die jubelterm ‘Democratiefestival’. Kom op, jongens, we gaan de democratie vieren. Petjes op, slingers, toeters, bier en taart! Leve het feest!
Aan de andere kant, hoor ik ook niet bij de mensen die onze democratie helemaal de put in willen praten, geen Code Rood, geen crisis of dood van de democratie, zoals tegenwoordig veel boektitels ons in de winkels willen doen geloven.
Dat vind ik een decadent statement dat we niet kunnen volhouden, als we ons vergelijken met wat er momenteel in Hongkong of in Moskou gebeurt.
Waar mensen, vooral de jonge generaties, met gevaar voor eigen leven en vrijheid, de straat opgaan om voor meer democratie en vrijheid te vechten.
Laten we niet cynisch en decadent zijn, en blij zijn dat wij in duidelijk andere politieke omstandigheden leven.
Maar juist daarom moeten we niet al te laconiek een democratiefeestje vieren. Zelfgenoegzaam zijn. Democratie is nooit een rustig bezit. Wordt altijd bedreigd. Elke generatie opnieuw moet uitvinden wat democratie precies wel en niet is.
Mijn stelling daarom is: we moeten onze democratie niet laconiek vieren, maar beschermen, verdedigen en heruitvinden. Want onze naoorlogse democratie staat weldegelijk van alle kanten onder druk.

Onze democratie is in twee helften gebroken

Democratie is in onze gepolariseerde, snel veranderende samenleving een splijtend begrip geworden. Een splijtzwam. Er loopt een nieuwe scheidslijn, die tussen mainstream establishment en populistisch anti-establishment. Populisten menen dat de democratie wordt gedomineerd door de elite. Door het kartel der hoogopgeleiden. Door de progressief-liberale mainstream. Daarom zijn zij voor een andere, meer directe democratie, voor het referendum, om de koers waarop volgens hen de huidige democratie zit te kunnen wijzigen.
            Tegenover elkaar staan toekomstoptimisten en toekomstpessimisten, en die hebben een heel andere opvatting van de staat van onze democratie. Toekomstoptimisten hebben een feestje te vieren; de anderen niet. Die hebben het gevoel dat Nederland op de verkeerde weg is, en dat de huidige democratie niet oplevert wat ze willen.
            Niet voor niets boycotten PVV en FvD het Democratiefestival.
Zij zetten dit festival weg als kartel-feestje van de bestuurlijke en politieke elite. Van de politiek-correcte deugers. Een Deugfestival. Een D66-Festival van minister Ollongren: zij die het ware ‘Democratiefestival’ zou hebben afgeschaft, namelijk het referendum, en zij die het boerkaverbod niet wil handhaven. En die geeft dan wel haar eigen Democratiefeest. Elite-democratie. Partijkartel-democratie.
            ’Jullie democratie is de onze niet’. Dus hoezo feest voor ons allen?
Populisten vinden dat het ’goede volk’ wordt genegeerd, verraden, of uitgebuit door een ‘corrupte of op zichzelf gerichte elite’. Zij willen de ’wil van het volk’ weer herstellen tegenover het partijkartel, de experts.
Het is op deze splijtzwam dat het Democratiefestival gestoten is (ook omdat het qua programmering en genodigde sprekers veel te weinig rekening heeft gehouden met deze scheidslijnen en polarisatie in onze samenleving).
            Men zou kunnen zeggen dat onze democratie gebroken is geraakt, gebroken in ongeveer twee helften, mainstream versus anti-mainstream, en dat een Democratiefestival pas een feest kan zijn als beide helften evenwichtig vertegenwoordigd zijn, en met elkaar in gesprek worden gebracht.

Het tijdperk van de burger?

Het begrip Democratiefestival verhult ook dat onze naoorlogse democratie in een overgangstijd zit. De sterk op klassieke leden-partijen en oude ideologieën leunende partijdemocratie is zo goed als voorbij. Betwist wordt hoe we nu verder gaan.
            Eigenlijk had dit het tijdperk van de burger moeten worden. Een verdere stap in de emancipatie, van collectieve op ideologieën en zuilen gebaseerde partijen (partij van arbeiders, katholieken, werkgevers) naar meer geïndividualiseerde, democratische politiek. Een tendens richting verdere ontvoogding, meer inspraak, meer zelfredzaamheid en individuele autonomie. Dat zien we wel in de economie en andere maatschappelijke sferen, maar nog sterk onvoldoende in hedendaagse politiek.
            We zitten wat dat aangaat in een wat schizofrene overgangstijd. Ook qua democratie. Op werkbezoeken in het land bezoek ik projecten van burgerparticipatie, experimenten van lokale democratische vernieuwing en spreek ik met bestuurders, volksvertegenwoordigers en burgers. Dat levert totaal uiteenlopende beelden op.
            Je komt mensen tegen die alle skills hebben om de politiek zo’n beetje over te nemen, maar je ziet ook afhakers. Mensen die alle geloof in politiek, gemeenschap en burgerschap zijn kwijtgeraakt.
            Voor de ene groep gaat democratische vernieuwing veel te langzaam. Democratie is geen knalfeest voor mensen die veel meer willen en kunnen doen. Die met hun hang naar burgerparticipatie stuiten op de tamelijk regenteske politieke cultuur in Nederland. Een bestuurscultuur van bobo’s en experts die het beste weet wat de burger nodig heeft. Besturen voor, maar zonder de burger.
            Er zijn ook fraaie voorbeelden waarin men zich aan overgeorganiseerde bureaucratie en goedbedoeld paternalisme heeft ontworteld. Een tijdje terug bezocht ik het dorp Esbeek, in de buurt van Tilburg en Hilvarenbeek. Dat dorp had, uit angst om uit te sterven, zelf het initiatief genomen om zichzelf te redden. Met vereende krachten nam het hele dorp deel aan een grondige dorpsvernieuwing. Men kocht samen het dorpscafé en maakte daar het gemeenschapshuis van. Bouwde zelf starterswoningen om de jongeren in het dorp te kunnen houden. Bouwde de kerk om tot dorpsschool. En dat met de discipline en het professionele doorzettingsvermogen van een heuse onderneming. Esbeek wordt gerund door een ‘alternatieve overheid’ van ondernemende burgers en won daarmee – geheel terecht - de nationale dorpsvernieuwingsprijs.
            Niet zover daarvandaan bezocht ik het grootste Right-To-Challenge-project van Nederland, het Spoorpark in Tilburg. Een prachtig project met veel parkvernieuwingen middenin de stad, gedragen door burgers. Maar dit waren niet zomaar burgers uit de omringende wijk. Neen, dit project blijkt te worden getrokken door een oud-gemeentesecretaris, een oud-corporatiedirecteur, een oud-stadsreporter. Door mensen die, gepokt en gemazeld, precies de weg weten in gemeenteland en project-ontwikkelaarsland.
            Dan blijkt hoe complex en ingewikkeld de regelgeving van gemeente en Rijk in elkaar steken (men stuitte ook al snel op Europese aanbestedingsregels bij het onderhoud van het park). Om iets voor elkaar te krijgen in overgeorganiseerd en risico-mijdend Nederland, moet je bijna als vanzelf tot de ‘participatie-elite’ behoren, zo liet ook Leids onderzoek naar Right to Challenge zien. Daar kan men cynisch en neerbuigend over doen, maar dat doet geen recht aan het resultaat. Door de intensieve inbreng van deze gepensioneerde ‘’trekkers’’ uit de systeemwereld, is het gelukt om burger-initiatieven van buiten te honoreren, en is het Tilburgse Spoorpark een spannender park geworden dan wanneer het door de gemeenteambtenarij alleen zou zijn ontwikkeld. Met meer burgerinvloed en meer oog voor burgerwensen.
 
Bij alle retoriek over burgerparticipatie moet men ook oppassen de participatiebehoefte van mensen niet te overschatten. Die valt vaak vies tegen. Kijk alleen al naar de opkomst bij studentenverkiezingen, OR-verkiezingen, referenda. Mensen hebben het druk genoeg, of wel wat beters te doen. Willen vooral goed en fair bestuurd worden (en een noodrem om eventueel in te grijpen).
            Ik vergelijk het vaak met een sportclub. Hoeveel mensen willen in plaats van te tennissen, voetballen of hockeyen liever in het bestuur van een sportclub zitten? Of achter de bar staan? Niet zo heel veel. Dat laat je, met alle respect, aan bepaalde types over, al wil je wel ingrijpen als ze iets grondigs verkeerd doen.
 
Pas dus op met overschatting van politieke participatie en de roep om directe democratie. Ook al vanwege de wetenschap dat het vooral steeds dezelfde hoogopgeleide mannen met veel tijd over zijn die overal in participeren. De zogenaamde ‘participatie-elite’. Nogmaals, die hoeven we niet te debunken. Heel nuttig dat die er zijn. Maar realiseer je dat die totaal niet representatief zijn voor gemiddeld Nederland. Dat is een goede reden om ietwat terughoudend te zijn met de hype van burgerparticipatie.
            Er is ook een verkeerde reden om daarmee terughoudend te zijn. Door de opmars van het populisme is er volksangst ontstaan, zogenaamde ‘demofobie’. Tekenend daarvoor is dat GroenLinks en D66 eerst grote voorstanders van het referendum waren, maar sinds de opmars van Fortuyn, Verdonk, Wilders en Baudet, is zelfs de jongerenorganisatie van GroenLinks nu fel gekant tegen referenda. Die zouden louter de ongeïnformeerde onderbuik aan het woord laten. Referenda zouden irrationeel zijn (zie Brexit), en representatieve politiek zou weloverwogen zijn, aldus veelgehoorde stemmen in de wereld van de academische professionals. Dat spoort met onderzoek, waaruit blijkt dat hoogopgeleiden tegenwoordig tegen referenda zijn, en lageropgeleiden (tot MBO) juist voor.
            Het referendum is symbolisch voor de splijtzwam die onze democratie geworden is. Niet voor niets had Forum voor Democratie een vliegtuigje laten rondvliegen bij het Democratiefestival in Nijmegen, met daarachter de tekst: ‘’Er is maar éen democratiefestival en dat is een referendum’’.

Het Democratiefestival verhult dat onze democratie van binnen en van buiten bedreigd wordt

 - Van buiten, door het succes van een autoritaire niet-democratie, namelijk China. Voor het eerst dreigt een niet-democratische eenpartijstaat economisch en technologisch succesvoller te zijn dan de westerse liberale democratieën.
- De Europese democratie moet worden verdedigd tegen autoritaire omsingeling. Van China, Poetin, Oost-Europa en de Balkan. De fake-democratie (zonder rechtstaat) van gekozen autoritaire leiders zonder oppositie, of die de oppositie uitschakelen, is in opmars.
- In veel van deze landen oefenen corrupte oligarchen een grote invloed uit, en zijn zij, zoals in Oost-Europa of op de Balkan, eigenaar van de media.  
- Democratie staat ook onder druk van het grote campagnegeld. In de Amerikaanse plutocratie maken allen nog multimiljonairs kans gekozen te worden in Congres, Senaat of als president.
- De democratie staat ook onder hoogspanning door het globaliseringsproces en door de Europese eenwording. Velen hebben het gevoel dat in deze processen nationale staten, nationale democratieën (anders dan grote bedrijven en globale instituties), nauwelijks meer enige grip op de ontwikkelingen hebben, onmachtig zijn geworden, en dat slaat neer in gevoelens van democratische vermoeidheid en onmacht. Post-democracy wordt dit wel genoemd.
-  De democratie wordt ondermijnd door extreem-rechts en radicaal rechtspopulisme. ‘Wij zijn het volk. En iedereen die anders denkt dan wij is ‘vijand van het volk’. Dat is gevaarlijk anti-pluralisme dat op gespannen voet staat met de beginselen van de democratische rechtstaat.
- Onze democratie moet ook worden verdedigd tegen de radicale islam en het salafisme, die onze democratie en het westers samenlevingsmodel afwijzen en de sharia willen invoeren
- Via migratie en de daaruit voortvloeiende diaspora dreigt ook de ’lange arm van niet-democratieën’ onze democratie te ondergraven. Saoedi- Arabië, de Golfstaten, Turkije, Eritrea: via de politiek (Denk?) of via de moskee(scholen) brengen zij anti-westerse en anti-democratische opvattingen binnen in onze democratie.
- De uit de hand gelopen drugseconomie in Nederland ondermijnt rechtstaat en democratie. Zie de bedreiging van burgemeesters. Een narcostaat kan geen democratie zijn.

CONCLUSIE: de weerbare democratie

Zie hier een overzicht van interne en externe bedreigingen van onze democratie, die duidelijk maken dat een Democratiefestival (waarop deze bedreigingen niet of nauwelijks waren gethematiseerd en geprogrammeerd), een nogal naïef fenomeen is.
De democratie moet in algemene zin verdedigd worden tegen onverschilligheid. Tegen naïviteit. Tegen gemakzucht. In één zin: we moeten de democratie niet laconiek en gemakzuchtig vieren en bejubelen, we moeten onze democratie vooral verdedigen, beschermen en heruitvinden voor deze nieuwe tijd.  
De open, tolerante, democratische westerse samenleving heeft, volgens het adagium van Karl Popper, het recht en de plicht zich te verdedigen tegen intoleranten. Het gaat bij Popper om het concept van de weerbare of strijdbare democratie, die ondermijning detecteert en bestrijdt. 
We leven in een tijd van democratische overgang. Tegen een crisis aan, omdat onze democratie gebroken is, door verschillende groepen fundamenteel anders wordt waargenomen. Zie de turbulente ontvangst  op de sociale media van het Democratiefestival.
De gevestigde politiek wordt verlamd door angst voor verandering. De ontelbare rapporten over politieke en staatkundige vernieuwing (met het rapport van de Commissie-Remkes als laatste in de rij) slaan geen gat in het pakje boter van onze regenteske en technocratische cultuur. Politieke partijen en bestuurders zijn doodsbenauwd macht en invloed uit handen te geven, daar waar de moderne Nederlander inmiddels zoveel zelf kan. Zie Esbeek. Een representatieve democratie louter gebaseerd op  vertegenwoordiging door versleten, uitgewoonde politieke partijen is niet langer afdoende. Noch op nationaal, noch op lokaal niveau.
Misschien dat in deze verwarrende, en enigszins riskante democratische overgangstijd ‘glokalisering’ enig soelaas biedt. Dat is het lelijkste jargon-woord dat er is, maar vertegenwoordigt wel een gezond-verstand wijsheid. Het zou goed zijn als mensen in deze ‘wereld in flux en op drift’, wat politieke, sociaal-economische en culturele onzekerheid produceert, enige grip kan worden teruggewonnen, met name op het niveau van de straat, de staat en de regio. 
Kan de lokale democratie niet als filter fungeren, als buffer en plek van controle en herkenning? Daarvoor zal de politieke democratie van het gemeentehuis zich moeten verbreden en heruitvinden. Dan zal de representatieve partijendemocratie moeten worden aangevuld met de directe democratie van burgerparticipatie, en met de maatschappelijke democratie van voetbalclubs, ondernemersverenigingen, milieuclubs en carnavalsverenigingen.  
Waarom niet naast de traditionele gemeenteraad nog een raad van gelote burgers en een raad van de maatschappelijke democratie (met vertegenwoordigers van plaatselijke clubs en verenigingen)? Dit om de gemeentebestuurders en gemeenteraadsleden te ondersteunen met advies en tegenspraak.  
Landelijk zou de Eerste Kamer een Kamer van de Regio’s kunnen worden, met daarnaast een Kamer van Gelote Inwoners.
Onze democratie in overgang vraagt om gedurfde ingrepen en experimenten om de afhakers en teleurgestelden terug te halen en om de vertegenwoordigende functies weer in ere te herstellen. De gebroken democratie moet worden geheeld en verdedigd.
Daarbij mag best gefeest worden.

* Deze tekst is gebaseerd op de inleiding en speech die ik heb gehouden bij respectievelijk de Summerschool Democratie en het Democratiefestival op 29 en 30 augustus 2019, in Nijmegen.

* René Cuperus is als adviseur verbonden aan het programma ‘Democratie in Actie’ van VNG en het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze tekst is geheel op persoonlijke titel.